Inhoud

“IK was naakt en jij hebt me gekleed”

De Ark van het Verbond

In het Oude Testament openbaarde God zijn tegenwoordigheid op een heel bijzondere manier door de Ark van het Verbond. Op de Ark lag een gouden dekplaat die het ‘verzoendeksel’ werd genoemd; hierboven troonde God temidden van Zijn volk. Die stond in het hart van het Heilige der Heiligen in de tempel. In zekere zin is deze Ark met het verzoendeksel een voorafbeelding van de barmhartige tegenwoordigheid van Christus te midden van zijn volk van het Nieuwe Verbond in het Allerheiligst Sacrament van het altaar, aanwezig in al de tabernakels van heel de wereld.

Met het oog op de heiligheid van de Ark van het Verbond, is wel een van de meest verrassende gebeurtenissen in de geschiedenis van het volk van Israel in het eerste boek Samuel opgetekend. Het volk van Israel was in een oorlog met de Filistijnen verwikkeld, hun eeuwige vijand. De Israeliëten leden een aantal nederlagen, en dus keerden zij zich tot de Heer om hulp. Ze brachten de Ark van het Verbond naar hun legerkamp. “Zodra de Ark van het Verbond van de Heer in het kamp was aangekomen, hieven de Israëlieten zo’n gejuich aan dat de grond ervan dreunde. De Filistijnen hoorden dat gejuich en vroegen: ‘Wat moet toch dat luide gejuich in het kamp van de Hebreeën?’ Toen zij vernamen dat de Ark van de Heer in het kamp was gekomen, werden ze bang. Ze zeiden: ‘God is in het kamp gekomen! Wee ons, dat is nog nooit gebeurd. Wee ons, wie redt ons uit de handen van die geweldige God? Dit is immers dezelfde God die de Egyptenaren in de woestijn met allerlei plagen getroffen heeft?1)

Ondanks de aanwezigheid van de Ark, het vertrouwen van het leger van Israël en de angst van de Filistijnen, waren het de Filistijnen die in het daaropvolgende gevecht de overwinning behaalden. De verliezen aan de kant van Israel waren aanzienlijk: 30.000 man voetvolk sneuvelden. Maar het meest schokkend was, dat de Filistijnen de Ark van het Verbond buit maakten! Het meest heilige teken van Gods aanwezigheid te midden van zijn uitverkoren volk was in bezit genomen door de vijand! Hoe was dit mogelijk? Waarom stond God het toe dat de Ark van Zijn Tegenwoordigheid in de handen van heidense afgodendienaren viel?

Voordat dit alles plaatsvond, voorspelde God zelf aan de profeet Samuel dat dit alles zou gaan gebeuren en Hij gaf ook de reden aan waarom dit zo zou geschieden. Hij zei tegen Samuel: “Let op! Wat Ik in Israël ga doen, zullen van iedereen die het hoort, de oren gaan tuiten.” De reden waarom Hij dit onheil over Israel toeliet was vanwege de godslasteringen die door Hophni en Phinehas, de zonen van de hogepriester Eli werden begaan. Zij deden dit als priesters in de naam van het volk van God. Zoals gezegd: “Deze handelwijze van de zonen was in de ogen van de Heer een zeer ernstige zonde: de mensen verloren hun eerbied voor het offer aan de Heer”2) .

Het gevolg van de zonde van de priesters was niet alleen dat zijzelf sneuvelden in het gevecht, maar ook dat er een groot verlies was voor het hele volk van Israël, en de aanwezigheid van God was werkelijk verwijderd uit hun midden.

Deze geschiedenis geeft ons een sterke aanwijzing welke consequenties de zonden van de priesters met zich meebrengen; niet alleen voor zichzelf maar ook voor het hele volk van God. Wegens zijn sleutelpositie als “bode van de Heer der Machten”, hebben de zonden van de priesters “velen laten struikelen”3) . De profeet Ezechiël schrijft, dat wegens het verderf van de herders, de kudde als voedsel dient voor de wilde dieren of verdwaald raakt over heel de aarde4) . En de profeet Jeremia merkt op: “De herders waren dwaas, ze zochten de Heer niet; daarom liep alles verkeerd, heel hun kudde werd verstrooid”5) .

De vijanden van de Kerk, mensen en demonen, weten heel goed dat de priesters een cruciale positie innemen in de Kerk, en daarom houden ze niet op om hen van alle kanten aan te vallen. De verleider probeert de herder te slaan opdat de kudde verstrooid zal raken. Daarom is het noodzakelijk om zonder onderbreking een bolwerk van bescherming rond de priesters van de Kerk op te trekken. Wij roepen Maria aan om hen onder haar mantel te beschermen; we vragen de Engelen om hen te omgeven met een sterk schild; we smeken de heilige Jozef, de grote beschermheer van de Kerk en de schrik van de demonen, om voor een bijzondere bescherming te zorgen voor de geestelijken.

Tegelijkertijd, als we de fouten van de priesters zien, en zelfs hieronder te lijden hebben, moeten we op onze hoede zijn opdat we de dingen niet nog erger maken door de priesters aan te vallen. Zelfs als bepaalde priesters geen heilige personen zijn, zo zijn ze toch altijd geheiligde personen, vanwege hun priesterwijding. Ze zijn de door God gezalfden. Net als David in het Oude Testament, die nooit een vinger tegen Koning Saul durfde uitsteken, terwijl deze hem onterecht vervolgde, omdat hij zich steeds bewust was dat hij een door God gezalfde was6) , zo zouden ook wij nooit moeten durven Gods gezalfde priesters aan te vallen.

De H. Catharina van Siëna

De H. Catharina van Siëna schrijft de woorden neer van God Vader in haar “Dialogues”. “Ik wens dat de leken alle priesters de aan hen verschuldigde eerbied geven, niet omwille van henzelf -zoals Ik zei- maar omwille van MIJ, vanwege de autoriteit die Ik hen heb gegeven. Daarom mag deze eerbied nooit afnemen, net zo min bij priesters wiens deugden zwak worden, als bij de rechtschapen priesters over wiens goedheid Ik met jou heb gesproken; want allen zijn gewijde bedienaren van de Zoon – van het Lichaam en Bloed van mijn Zoon en van de andere sacramenten.

“Deze waardigheid behoort, op dezelfde manier toe, zowel aan de goeden als aan de slechten. Zoals eerder gezegd, moeten allen de Zon (God) uitreiken; volmaakte priesters zijn zelf een in een toestand van licht, dat wil zeggen zij verlichten en verwarmen hun naasten door hun liefde. En met deze warmte laten zij deugden ontspringen en dragen zij vrucht in de zielen die aan hen zijn toevertrouwd.

IK heb hen aangesteld om in waarheid jullie Engelbewaarders te zijn om jullie te beschermen; om jullie harten te inspireren met goede gedachten door hun heilige gebeden, en om jullie Mijn leer te onderrichten, die door hun eigen leven weerspiegeld wordt, én om jullie te dienen door de heilige Sacramenten toe te dienen. Aldus dienend en wakend en verlichtend met goede en heilige gedachten zoals een Engel dit doet.

“Zie, hoe zij behalve de waardigheid waartoe IK hen heb geroepen, het waardig zijn om bemind te worden; als…..zij ook het sieraad van de deugd bezitten, zoals zij deden waarover IK tegen jou sprak, hetgeen alleen vereist en verplicht zijn, en in welk een grote respect je hen dient te bewaren.. Want zij zijn Mijn geliefde kinderen en ieder van hen schijnt als een zon in het mystieke Lichaam van de Heilige Kerk door hun deugden. Want iedere deugdzame man is het waard bemind te worden,en dit des te meer omwille van het ambt dat Ik in hun handen heb gelegd. Je zou hen moeten liefhebben omwille van de deugd en waardigheid van het Sacrament, en omwille van diezelfde deugd en waardigheid zou je de tekortkomingen moeten haten van degenen die erbarmelijk in zonde leven.

Maar stel je daarom niet als rechter over hen aan. (-Ik verbied dat-). Je zou de autoriteit die Ik hen gegeven heb moeten liefhebben en eren. Het zijn Mijn Christussen, mijn uitverkorenen.

Als bijvoorbeeld een slordig en slecht gekleed iemand jou een schat zou brengen, waardoor jouw leven gered zou worden, dan zou je geen afkeer hebben van de ‘drager’ van die schat, hoe haveloos en smerig er die ook uit zou zien. Niet vanwege de liefde voor de Heer die jou die schat zond én niet om de waarde van de schat zelf. Je zou je misschien wel ergeren aan het uiterlijk van die persoon, maar je zou er ook op bedacht zijn, uit liefde tot zijn meester, dat hij zich kan wassen en nette kleren aan kan trekken.

Dit is nu, volgens de wetten van de naastenliefde, jouw plicht. En Ik wens ook dat je zo handelt ten opzichte van zulke priesters die ongeordend leven, die zichzelf verontreinigd hebben en gekleed gaan in gescheurde gewaden, vol ondeugden. Ontvang hen waardig, ondanks de fouten die zij hebben gemaakt. Zij die zich van Mijn Liefde hebben afgekeerd, en jou grote schatten brengen – d.w.z. de Sacramenten van de Heilige Kerk – waardoor jij het leven der genade ontvangt. Doe het uit liefde voor Mij, de Eeuwige God, die hen tot jou zond. Doe het uit liefde voor dat leven van genade dat jij ontvangt van de grote schat; waardoor zij jou de gehele God en de gehele Mens toedienen, dat wil zeggen het Lichaam en Bloed van Mijn Zoon verenigd met Mijn Goddelijke Natuur..

Van hun zonden moet je een afkeer hebben. Je moet er naar streven die priesters met liefde en heilig gebed te bekleden, en als het ware hun ‘vuil’ weg te wassen met jouw tranen. Dat wil zeggen dat je hen aan Mij moet aanbieden onder tranen én met een groot verlangen, dat Ik hen zal herkleden in Mijn goedheid, met de gewaden van de Liefde. Weet goed dat Ik ernaar verlang om hen genade te schenken, als ze zich maar zouden openen om die te willen ontvangen, en jij je openstelt om hiervoor te bidden. Want het is niet volgens Mijn wil dat zij de Zon aan jou zouden geven, terwijl ze zelf in duisternis zijn, noch dat zij de gewaden van de deugd afgelegd hebben, vol dwaasheid levend in schande. Ik heb hen aan jullie gegeven met de opdracht om aardse engelen en zonnen te zijn, zoals ik heb gezegd.

Het is niet volgens Mijn wil dat zij in deze staat verkeren; je zou voor hen moeten bidden en hen niet veroordelen, laat het oordeel aan Mij over. En Ik zal hen, door jouw gebed bewogen, barmhartigheid betonen als ze deze maar willen aannemen. Maar als zij hun leven niet beteren zal hun waardigheid de oorzaak zijn van hun val. Want als zij niet de omvang van mijn erbarmen aanvaarden, zal IK , de eeuwige Rechter, hen vreselijk verdoemen en ze zullen naar het eeuwige vuur worden gestuurd”.

Deze woorden van de grote Kerkleraar wijzen niet alleen naar de waardigheid van de priester, en de verantwoording die hij draagt om volgens die waardigheid te leven, maar ook naar de plicht van de leken die de misstappen van de priesters opmerken om “hun vuilnis met hun tranen af te wassen” en hen opnieuw te kleden door hun gebed, dat zij zich bereid maken om de genaden van Gods barmhartigheid te kunnen ontvangen.

Profeet Zacharia

De profeet Zacharia had het volgende visioen: “Daarop liet Hij mij de hogepriester Jozua zien, die voor de Engel van Jahwe stond, en rechts van hem stond de satan, gereed om hem aan te klagen. Jahwe zei tot de satan: ‘Jahwe zal u terechtwijzen, Satan! Jahwe, die Jeruzalem heeft uitverkoren, zal u terechtwijzen. Deze Jozua is een stuk brandhout, dat aan het vuur ontrukt is!” Jozua had namelijk vuile kleren aan, terwijl hij voor de Engel stond. De Engel zei toen tot degenen die bij hem stonden: ‘Trekt hem die vuile kleren uit en doet hem feestkleren aan’. En tot Jozua zei hij: “Zie, ik neem uw ongerechtigheid van u af”. Hij beval verder, dat zij hem een schone tulband op het hoofd zouden zetten. Toen zetten ze hem een schone tulband op het hoofd en kleedden hem, terwijl de Engel van Jahwe erbij stond”7) .

Dit profetisch visioen stelt het werk van de Satan in groot contrast met dat van de Engel. Satan klaagt aan, terwijl de Engel de omstanders vraagt de vuile kleren van de hogepriester uit te trekken. De Engel wijst Satan terecht, en heeft erbarmen met Jozua. De Engel spreekt over Jozua als over ‘een stuk brandhout dat aan het vuur ontrukt is’.

Het beeld wat hier gebruikt is, schijnt heel passend te zijn voor onze tijd. De elementen van een nieuw-heidense, anti-christelijke, materialistische, consumptie gerichte, lust-geladen cultuur die door de massamedia gepromoot wordt, kan vergeleken worden met een vernietigend vuur wat zich zelfs onder de leden van de Kerk verspreid. Zelfs diegenen, die God heeft geroepen tot het religieuze leven of tot het priesterschap kunnen niet verwachten om gespaard te blijven van deze rampzalige invloed. Zonder twijfel verlangt God ernaar dat zij ‘ontrukt’ worden aan deze vlammen: maar we kunnen niet verrast zijn als zij reeds geschroeid en daardoor verzwakt zijn en misschien zelfs blind voor de gevaren aan welke zij zich blijven blootstellen.

De oplossing is niet om hen te beschuldigen, maar om voor hen te bidden, en zelfs nadat we honderden keren voor hen ten beste hebben gesproken, mogen we nog niet aanklagen. God laat ons niet zien wie de “geringste van Zijn broeders” is. Maar we weten dat alles wat we voor de geringste van Zijn broeders doen, aan Hem gedaan is.

Sinds priesters de gezalfden van God zijn, zoals de H. Catharina schrijft, of met andere woorden: “Christussen”, kunnen we des te zekerder zijn van het loon van God voor al degenen die zich wijden aan “het opnieuw bekleden” van de priesters door gebeden en offers die voor hen worden aangeboden. “Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld, want Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed” .

P. Basil Nortz, ORC

Terug

1) 1 Sam. 4,5-9
2) 1 Sam. 2,17
3) Mal. 2,8
4) Vgl. Ez. 34,5-6
5) Jer. 10,21
6) Vgl. 1 Sam. 24,6
7) Zach. 3,1-5